Erfgoed is een hot item. Iedereen heeft het over erfgoed en het belang om het te conserveren, te koesteren. Erfgoed is ook een enorme troef wanneer het er op aankomt toeristen aan te trekken. Overal ter wereld gaan landen het belang van hun eigen erfgoed inzien en willen zich niet langer neerleggen bij het feit dat zich een groot aandeel van dat erfgoed in Europese of Amerikaanse musea of privécollecties bevindt. Kunstschatten die op zeer bedenkelijke wijze uit de landen van herkomst zijn gehaald, worden nu teruggeëist.
Hoewel Ethiopië slechts korte tijd gekoloniseerd werd, verdwenen toch een groot aantal van haar kunstschatten in westerse handen. Mussolini verscheepte zelfs – naar het voorbeeld van de Romeinse keizers, die ook al graag trofeeën uit veroverde gebieden meebrachten – in 1937 een 24 meter hoge obelisk uit Axum naar Rome. De Italianen zaten er na de oorlog wat mee verveeld en tekenden in 1947 een akkoord met Ethiopië om de drieduizend jaar oude zuil terug te geven. Maar pas in 2005 werd het monument in stukken gezaagd en op het zwaarste vliegtuigtransport ooit richting Ethiopië gezet. Tegenstanders van een teruggave argumenteerden dat de zuil beter af was in Italië. Toen echter bleek dat de zuil in Rome aangevreten werd door luchtverontreiniging en toen ze in 2002 ook nog schade opliep door een blikseminslag, kon ze – na tussenkomst van de VN – eindelijk terug naar huis.
Maar ook de Britten bezondigden zich aan het roven van Ethiopische schatten. Toen ze in 1867 Ethiopië binnenvielen, roofden ze de kunstwerken en manuscripten van de toenmalige hoofdstad Maqdala – alvorens de stad in brand te steken – en verscheepten ze naar Europa. Het grootste deel van die toen geroofde schatten bevinden zich nog steeds in (vooral) Britse musea en bibliotheken en in privéverzamelingen. Van de vele honderden stukken die toen werden meegenomen, zijn er nog maar 10 naar Ethiopië teruggekeerd, ondanks herhaaldelijke verzoeken vanuit Ethiopië.
Afromet (The Association for the Return of The Maqdala Ethiopian Treasures) is een drukkingsgroep die ijvert voor de teruggave van de schatten die uit Ethiopië geroofd zijn tijdens de Britse invasie in het land in 1867-8. De groep gelooft dat het terugbrengen van de schatten naar Ethiopië een enorme boost zou betekenen voor het onderzoek van de geschiedenis en de cultuur in het land en van grote betekenis zou zijn voor de toeristische industrie, een vitaal element in de ontwikkeling van het land. De groep probeert in de eerste plaats de schatten op te sporen (roept dan ook iedereen op die een voorwerp uit de schatten van Maqdala in zijn bezit heeft, dit te melden) en ijvert in de tweede plaats voor het terugschenken ervan aan Ethiopië, waar ze een plaats zouden krijgen in kerken en musea, onder andere in het Institute of Ethiopian Studies in Addis Ababa. De enkele voorwerpen die de laatste jaren zijn teruggegeven, komen vooral uit privéverzamelingen. In 2004 bijvoorbeeld stond een Schotse professor een met zilver versierd schild dat afkomstig was uit de plundering van Maqdala, af. “Ik ontdekte dat ik zonder het me te realiseren eigenaar van een klein deeltje van de historische erfenis van Ethiopië was en besloot het terug te geven,” zei de professor geschiedenis en ontwikkeling aan de Roskilde Universiteit in Denemarken daarover.
De Church Times meldde in oktober dit jaar dat de abdij van Westminster heeft laten weten een tabot te zullen teruggeven. De druk op de musea die schatten afkomstig van de plundering van Maqdala bezitten, wordt opgedreven. Maar het British Museum, dat honderden manuscripten, kronen en religieuze objecten uit Maqdala bezit, staat weigerachtig tegenover een mogelijke teruggave van de vele schatten die in haar bezit zijn. Wel zou volgens de Church Times het museum 10 tabots aan Ethiopische kerken in Londen willen schenken.
© EreMelaMela 18.10.07 Katrien De Graeve
Meer informatie op de site van Afromet (weliswaar niet meer bijgewerkt sinds 2005)
Maqdala en haar oorlogsbuit – de geschiedenis (Richard Pankhurst)
I. De val van Maqdala
De Britse inname van Maqdala, de hoofdstad van keizer Tewodros in de bergen van Noord-West-Ethiopië had plaats in 1868, onmiddellijk nadat de Ethiopische monarch zelfmoord pleegde om niet in de handen van de vijand te moeten vallen. De val van de citadel is beschreven door een Ethiopische koninklijke kroniekschrijver, Alaqa Walda Mariam, die de gebeurtenissen vanuit een Ethiopisch oogpunt bekeek en stelde dat toen “alles in de handen van een Engelse generaal viel…elke [Ethiopische] soldaat in Maqdala zijn wapen over de rotswand gooide en kroop voor de vijand”. Degene die er niet in slaagden hun wapens weg te gooien, stelde hij, “werden beschouwd als agressor en vele mannen kwamen om”, vermoedelijk in handen van het zegevierende leger. Voortbordurend op deze bewering verklaarde hij dat “de Engelse troepen met elkaar wedijverden [in] het neerschieten” van elke Ethiopiër die een speer of een geweer droeg, en dat “iedereen die een wapen opraapte,werd neergeschoten”.
Dit meedogenloze beeld wordt niet bevestigd in Britse officiële verslagen, maar ze leveren anderzijds ook geen bewijs van het tegendeel.
II. De plundering van het fort
De plundering en de daaropvolgende vernietiging van Maqdala is goed gedocumenteerd in Britse beschouwingen uit die tijd. De geograaf Clements Markham, wellicht de leidende Britse historicus van de expeditie, herinnerde zich dat de mannen van Napier, wanneer ze de citadel binnen kwamen, rond het lichaam van de overleden monarch zwermden. Dan “deden ze driewerf hoera alsof het een dode vos betrof en ze begonnen zijn kleren in stukken te trekken tot hij volledig naakt was”. Dit verslag wordt bevestigd door de Anglo-Amerikaanse journalist Henry M. Stanley die rapporteerde een “bende” gezien te hebben, die “of het nu officieren of soldaten waren, mekaar duwden in een poging een klein stukje van het bloederige kleed van Tewodros te bemachtigen. Er werd geen bewaker bij het lichaam gezet tot het naakt was”.
Alle waarnemers zijn het er over eens dat de troepen al het waardevolle dat ze konden vinden in en rond de citadel, vastgrepen. Markham tekent op dat ze zich overal over de bergtop “verspreidden” en dat de schat van de keizer “op korte tijd volledig leeggeroofd was’.
De nabijgelegen kerk van Medhane Alem, letterlijk de ‘Redder van de Wereld’ of ten minste haar eqa bet of opslagplaats, werd schijnbaar ook geplunderd, hoewel deze actie – gezien het een grove daad van heiligschennis was, verdoezeld wordt in de Britse verslagen. Het is echter duidelijk dat de meeste van de vele religieuze manuscripten, kruisen en andere kerkelijke objecten die de Britse troepen zich toeeigenden in Maqdala, alleen maar konden komen van een van de twee kerken daar. Verschillende van de Ethiopische manuscripten die later naar Groot-Brittanië zijn gebracht, bevatten aanduidingen die er op wijzen dat ze behoorden tot de Medhane Alem kerk en een manuscript in de Bodleian Library in Oxford (M.S Aeth.d.1) draagt een notitie in het Engels die stelt dat het was “meegenomen uit de kerk in Maqdala in 1868”, het jaar van de expeditie.
De buit uit Maqdala bevatte volgens Stanley “een oneindige variëteit aan gouden, zilveren en koperen kruisen”, evenals “hopen koninklijk verlucht perkament”, en vele andere stukken die voor lang “verspreid lagen in oneindige chaos en verwarring tot het hele oppervlak van de citadel, de hellingen van de berg en de hele weg naar het [Britse] kamp twee mijlen verder ermee bezaaid lagen”.
III. Sir Richard Holmes
Richard, later Sir Richard Holmes, assistent in het Department of Manuscripts van het British Museum, die was aangeduid als de ‘archeoloog’ van de Expeditie, was één van de aanwezigen bij de plunderingen. Hij stelde in een officieel rapport dat de Britse vlag “niet meer dan tien minuten had gewapperd” vooraleer hij het fort was binnengegaan. Kort daarna, in het halfduister, zag hij een Britse soldaat die de kroon van de Abun, het hoofd van de Ethiopische Kerk, en een “massief gouden kelk die minstens 6 pond woog, droeg”. Holmes slaagde erin beiden aan te kopen voor £4 Sterling. Er werden hem ook verschillende grote manuscripten aangeboden, maar weigerde hen omdat ze naar zijn zeggen te zwaar waren om te dragen!
De Britse militaire autoriteiten die volgens de gewoonten van dat moment geen bezwaren hadden tegen het principe van plunderen, probeerden het desondanks te regelen: om de verdeling van de buit ‘eerlijker’ te maken en eigenlijk om te verzekeren dat officieren en anderen met ruime middelen het leeuwendeel zouden verwerven – ten koste van de gewone soldaten. De buit van Maqdala werd bijgevolg op bevel van Napier verzameld voor latere veiling.
IV. Het platbranden van Maqdala
Ondertussen werden er stappen gezet door de Britse militaire autoriteiten om in de namiddag van 17 april de stad volledig te vernietigen. Volgens kapitein Hozier, een Brits officier, legden werkgroepen mijnen onder de brug en andere versterkingen, evenals de artillerie van Tewodros die met veel moeite gemaakt was door Europese vakmannen van de keizer. Het fort werd dan opgeblazen samen met – zoals Markham opmerkt – een onzalige koe die daar jammer genoeg voor haar op dat moment was. Het paleis van de keizer en alle andere gebouwen, inclusief de Medhane Alem kerk werden daarna in brand gestoken. Hozier rapporteert dat de vuurzee “zich snel verspreidde van gebouw naar gebouw en een zware rookwolk veroorzaakte die van mijlen ver kon worden waargenomen”. De Britse soldaten verzekerden zich van “goede plaatsen van waaruit de machtige vuurzee…het best kon worden gezien”, beweert Stanley. Stanley beschrijft de vernietiging van de hoofdstad van Tewodros verder in detail: “De oostenwind werd geleidelijk aan sterker en wakkerde de beginnende vuurtongen die zichtbaar waren aan de daken van de huizen aan tot ze groter werden door de kundige aanmoediging en uiteindelijk omhoog sprongen in karmozijnrode stralen, naar omhoog schietend en dan rondcirkelend door de bries die met hen speelde. Een plotse windstoot effende de vuurtongen in een golf en verenigde de stralen in een meer van vuur! De hitte werd steeds intenser, geladen pistolen en geweren en granaten die door de Britse gevechtseenheden in het vuur waren gegooid, explodeerden met oorverdovende knallen…Drieduizend huizen en een miljoen brandbare dingen vatten vlam. Geen huis kon ontsnappen aan de vernietiging van de machtige eb en vloed van deze zondvloed van vuur.”
V. Een tweedaagse veiling
De buit van Maqdala werd daarna getransporteerd op vijftien olifanten en bijna tweehonderd muilezels naar de nabijgelegen Dalanta vlakte. Daar hielden de Britse militaire autoriteiten op 20 en 21 april een tweedaagse veiling om “prijzengeld” voor de troepen bijeen te krijgen. “Bieders waren niet schaars,” stelt Stanley, “iedere officier en burger wilde enkele souvenirs,” zoals “rijk geïllustreerde bijbels en manuscripten”. Holmes was in naam van het British Museum een van de belangrijkste kopers. Stanley beschrijft hem als “in volle glorie” want “gewapend met ruime middelen, overtroefde hij iedereen in de meeste dingen”. (…)
Deze officieel georganiseerde verkoop bracht in totaal £5000 op, wat elke gewone soldaat van “een habbekrats van 4 dollar” verzekerde.
VI. Aanwinsten voor British Museum en andere Britse bibliotheken
Dankzij Holmes werd het British Museum, nu de British Library, eigenaar van 350 Ethiopische manuscripten, vele ervan fijn verlucht. Verder werden er nog zes uitzonderlijk mooie stukken verworven door de Royal Library in Windsor Castle. Sir Robert Napier presenteerde een ander manuscript aan de Nationalbibliothek in Wenen, twee kwamen terecht bij de Duitse Kaiser en nog twee andere in de Bibliothèque Nationale in Parijs. Bijna 200 andere volumes werden daarna verkregen door de Bodleian Library in Oxford, Cambridge University Library, de John Rylands Library in Mancester en verschillend kleinere Britse verzamelingen. Verschillende van die manuscripten bevatten uitgebreid archivaal materiaal, zoals de tax rapporten van Tewodros als veel andere essentiële data voor de studie van de Ethiopische geschiedenis, inclusief de studie van de kunstgeschiedenis van het land.
De buit bevatte ook twee kronen en een koninklijk hoofddeksel die alle drie schijnbaar aan Tewodros toebehoorden, zijn koninklijke zegel, een gouden kelk (waarschijnlijk die vermeld door Holmes in zijn rapport ), tien tabots of altaartabletten, duidelijk geroofd uit de kerken van Maqdala, een aantal mooie processiekruisen, die terechtkwamen in het South Kensington Museum (later het Victoria en Albert Museum), twee van de rijk geborduurde tenten van de keizer die nu in Museum of Mankind in London zijn, en stukken van het haar van de overleden monarch, waarvan een deel tot op vandaag te zien is in het National Army Museum in Londen.
VII. Het initiatief van keizer Yohannes IV
De opvolger van Tewodros, keizer Yohannes IV was diep bedroefd om het verlies van de schatten van Maqdala. Hij had geen hoop op een volledige teruggave maar schreef wel twee brieven op 10 augustus 1872 respectievelijk aan koningin Victoria en aan de Britse minister van buitenlandse zaken, Earl Granville. Daarin vraagt hij de teruggave van twee stukken, een manuscript en een icoon. Beiden werden van uitzonderlijk belang geacht. Het manuscript was een Kebra Negast of “Lof der Koningen”, dat van speciaal belang was (hoewel dit niet gespecifieerd werd in de brief) omdat het “historische mededelingen en andere documenten” in verband met de stad Aksum bevatte, zoals Dr.Dieu van het British Museum later opmerkte.
Het icoon was niet minder opmerkelijk. Het is bekend in Ge’ez als een Kwer’ata Re’esu, letterlijk ‘doorboren van Zijn Hoofd’, en stelde Christus voor met de doornenkroon. Dit schilderij werd zeker sinds de 17de eeuw door Ethiopische heersers en hun legers meegenomen wanneer ze op grote, of bijzonder gevaarlijke campagnes gingen. Dit kostbare schilderij werd geroofd door de Soedanezen in de 18de eeuw, maar kon daarna teruggekocht worden. De Schotse reiziger en historicus James Bruce schreef dat Gondar, de Ethiopische hoofdstad van dat moment, daar “dronken van vreugde” om was.
Na ontvangst van de twee brieven van keizer Yohannes, liet de Britse Regering het British Museum weten dat het een ‘hoffelijke en vriendelijke daad’ zou zijn indien het gehoor zou geven aan de Ethiopische vraag. De museumautoriteiten die de zaak onderzochten, ontdekten dat ze twee kopieën van de Kebra Nagast bezaten, allebei van Maqdala, en gingen bijgevolg akkoord er één terug te geven, de volgens Dr. Dieu minst interessante. Dit manuscript is opmerkelijk omdat het de enige aanwinst van het museum is dat ooit teruggegeven is aan zijn voormalige eigenaars en dus een interessant precedent vormt voor de teruggave van buit niet alleen aan Ethiopië maar aan de ganse derde wereld.
VIII. Het mysterie van het verloren icoon
In tegenstelling tot het manuscript kon het icoon niet worden teruggevonden. Koningin Victoria antwoordde daarop aan keizer Yohannes, op 18 december met de verklaring: “Van het schilderij vinden we geen enkel spoor, en we denken niet dat het naar Engeland kan zijn gebracht”.
De koningin was hierin volkomen fout gezien het schilderij verworven was door Holmes, die het voor zichzelf had gehouden. Hij werkte niet langer voor het museum en was op dat moment de bibliothecaris van de koningin in Windsor Castle. Dat hij het schilderij had was niet publiek bekend vóór 1890, een jaar na de dood van Yohannes, en het was pas in 1905 dat er een foto van het schilderij mocht verschijnen in The Burlington Magazine, een kunsttijdschrift waaraan Holmes was verbonden. De reproductie droeg de veelzeggende titel: “Hoofd van Christus, voorheen in het bezit van Koning Theodore van Abyssinia, nu in het bezit van Sir Richard Holmes, K.C.V.O.”.
Op dat moment was het verzoek van keizer Yohannes voor de teruggave van het icoon natuurlijk al lang opgeborgen!
IX.LADY MEUX
De bekendste private collectie van Ethiopische manuscripten van Maqdala werd verzameld door een Engelse vrouw, Lady Valorie Meux, die verschillende manuscripten publiceerde in Londen, in facsimile edities, met vertalingen door Sir Ernest Wallis Budge. Deze manuscripten werden gezien door de afgezant van keizer Menilek, Ras Makonnen, die naar Engeland kwam voor de kroning van koning Edward VII in 1902. Toen de Ras deze manuscripten zag, toonde hij grote bewondering en stelde dat hij “nooit zulk een mooi manuscript had gezien” in zijn land, en hij verklaarde dat hij de keizer zou vragen ze terug te kopen.
Toen Lady Meux op het einde van haar leven haar testament opmaakte, in januari 1910, liet zij het manuscript na aan Keizer Menilek. The Times die dit berichtte, stelde dat “gezanten van de keizer gestuurd waren om terugwinning [van de manuscripten] te regelen en men gelooft dat het huidige legaat het inlossen is van een belofte die dan gemaakt werd”. Lady Meux stierf op 20 december dat jaar. Haar erfenis zorgde voor beroering, omdat een deel van het Britse publiek de manuscripten blijkbaar in Engeland wou houden. Een artikel in The Times van 7 februari 1911 stelde: “Veel mensen die geïnteresseerd zijn in het Oosterse Christendom…zullen deze beslissing van Lady Meux om haar waardevolle manuscripten voor eens en voor altijd het land uit te sturen, enorm spijtig vinden”.
Het testament werd daarop vernietigd, op grond van de bewering dat Menilek dood was op het moment dat Lady Meux stierf. In werkelijkheid stierf hij pas in december 1913 en had in elk geval erfgenamen. De bedoeling van Lady Meux werd hoe dan ook gedwarsboomd. In zekere zin werd Ethiopië een tweede keer beroofd, gezien de manuscripten in Engeland werden gehouden.
X. Geleidelijke teruggave in de 20ste eeuw
Het verhaal van de buit van Maqdala kwam verschillende keren in de 20ste eeuw naar de voorgrond en zal dit ongetwijfeld blijven doen zolang er geen teruggave gebeurt. Hoewel de Britse regering wat nu zou worden beschouwd als de immoraliteit van de plundering van de hoofdstad van Tewodros, niet wil erkennen, vond ze het toch passend een aantal stukken van de buit uit te delen, bijna als een vorm van liefdadigheid, wanneer de kans zich voordeed.
Gedurende het bezoek van Ras Tafari Makonnen, de latere Keizer Haile Sellassie, aan Groot-Brittanië in 1924 regelde de Britse regering het om aan de toenmalige heerser, keizerin Zawditu, één van de twee kronen van Tewodros te sturen. Ze verkozen de zilveren kroon weg te schenken om op die manier het Victoria en Albert Museum in staat te stellen de meer waardevolle gouden kroon te houden.
Veertig jaar later, op het einde van het staatsbezoek van koningin Elizabeth aan Ethiopië in 1965, zorgde de Britse regering ervoor dat de koningin het koninklijke hoofddeksel en het zegel van Tewodros aan keizer Haile Sellassie kon geven.
The time, it is widely believed, to consider the return of the loot from Maqdala in its entirety, rather to continue with such haphazard acts of belated repatriation.
Er wordt algemeen aangenomen dat het hoog tijd is om de buit van Maqdala in zijn totaliteit terug te schenken in plaats van verder te doen met zulke lukrake en laattijdige teruggaven.
(uitgebreide tekst met referenties: Richard Pankhurst, “The Napier Expedition and the Loot form Maqdala”, Presence Africaine (1985), Nos. 133-4, pp. 233-40.)
© Afromet – Richard Pankhurst (kdg)
Filed under: Beeldende Kunst, Erfgoed | getagged: Afromet, Axum, Erfgoed, Maqdala, Tewodros



[...] Ethiopië richt de Axum obelisk weer op De plundering van Maqdala: moeten de schatten terugkeren? [...]